In de tweede helft van de 18de eeuw vond een belangrijke intellectuele heropleving plaats, met Edinburgh als middelpunt. Deze periode werd later bekend als de Schotse Verlichting. Wetenschappers, economen, filosofen, schrijvers en schilders kwamen toen in de hoofdstad van Schotland bijeen.
Nadat het parlement en de hoofdstad van Schotland in 1707 met de 'Act of Union' verloren gingen, braken vredigere tijden aan, waarin Schotland opkwam als een van de grootste intellectuele centra in Europa.
Filosofen als David Hume (1711-1776), economen als Adam Smith (1723-1790), dichters en artiesten als Robert Burns (1759-1796) en Henry Raeburn (1756-1823) waren leidinggevende figuren in deze opzienbarende periode van de Schotse geschiedenis.
In de daaropvolgende jaren vierde de creativiteit hoogtij: de Schotten vonden de fiets uit, de stoomlocomotief, paraffine, chloroform en de telefoon en hielpen mee aan de ontwikkeling van radar en televisie.